Vers 1:
Onderaardse diepte (NBV) / Afgrond (SV) / bottomles pit (KJV) / abyssos (Gr. "zonder bodem").
Komt in voor in Lucas 8:31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen.
Hier beveelt Jezus de demonen uit de bezeten man te gaan en zij smeken hem om niet in de abyssos gestuurd te worden. De demonen zijn er dus mee bekend en maar wat bang om daar naar toe gestuurd te worden.
Verder in Openbaringen in 9:1-2 waar wordt gesproken over de put van de afgrond. Deze put wordt hier geopend door een gevallen ster en er komt allerlei onheil uit de put. De gevallen ster/engel die de sleutels van de afgrond hier heeft is Abaddon (Hebr.) of Apolluon (Gr.). Deze naam betekent vernietiging. Deze gevallen engel hoort ongetwijfeld bij de satan.
Ook in Openbaringen 11:7 zie je dat er een beest uit de afgrond opstijgt.
Ook in Openbaringen 17:8 zie je dat het scharlakenrode beest ook uit de afgrond vandaan komt. Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn wier namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
In Openbaringen 20:1 lezen we echter dat de sleutels van de diepte gegeven zijn aan een engel die er we iets goeds mee doet. Hier dringt zich ook de vergelijking op met Openbaringen 1:18 waar Jezus zelf zegt dat hij de sleutels heeft van de hel en van de dood.
Het is dus goed mogelijk dat de engel waar hier over gesproken wordt de Heer Jezus zelf is.
Waar de ketting waar over gesproken wordt precies uit bestaat weet ik niet, maar deze zal ongetwijfeld voldoen om Satan hier geestelijk mee te binden.
Vers 2:Komt in voor in Lucas 8:31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen.
Hier beveelt Jezus de demonen uit de bezeten man te gaan en zij smeken hem om niet in de abyssos gestuurd te worden. De demonen zijn er dus mee bekend en maar wat bang om daar naar toe gestuurd te worden.
Verder in Openbaringen in 9:1-2 waar wordt gesproken over de put van de afgrond. Deze put wordt hier geopend door een gevallen ster en er komt allerlei onheil uit de put. De gevallen ster/engel die de sleutels van de afgrond hier heeft is Abaddon (Hebr.) of Apolluon (Gr.). Deze naam betekent vernietiging. Deze gevallen engel hoort ongetwijfeld bij de satan.
Ook in Openbaringen 11:7 zie je dat er een beest uit de afgrond opstijgt.
Ook in Openbaringen 17:8 zie je dat het scharlakenrode beest ook uit de afgrond vandaan komt. Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn wier namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.
In Openbaringen 20:1 lezen we echter dat de sleutels van de diepte gegeven zijn aan een engel die er we iets goeds mee doet. Hier dringt zich ook de vergelijking op met Openbaringen 1:18 waar Jezus zelf zegt dat hij de sleutels heeft van de hel en van de dood.
Het is dus goed mogelijk dat de engel waar hier over gesproken wordt de Heer Jezus zelf is.
Waar de ketting waar over gesproken wordt precies uit bestaat weet ik niet, maar deze zal ongetwijfeld voldoen om Satan hier geestelijk mee te binden.
Opvallend is dat de meeste verzen in dit hoofdstuk beginnen met "En" (het griekse "Kai"). Je zou hieruit kunnen afleiden dat de gebeurtenissen die in dit hoofdstuk beschreven worden opeenvolgende gebeurtenissen zijn.
De duizend jaar waar over gesproken wordt is waarschijnlijk ook heel letterlijk duizend jaar. Tot en met vers 7 wordt dit namelijk wel 6 keer herhaald waardoor er zeer de nadruk op gelegd wordt.
De duizend jaar waar over gesproken wordt is waarschijnlijk ook heel letterlijk duizend jaar. Tot en met vers 7 wordt dit namelijk wel 6 keer herhaald waardoor er zeer de nadruk op gelegd wordt.
Over de korte tijd dat de duivel ontbonden moet worden lezen we in ver 8.
Vers 4:In openbaringen 6:9-10 zie je dat de zielen van de gedode heiligen zitten te wachten tot hen recht aan wordt gedaan. Hier in hoofdstuk 20 zie dat het dan zo ver is. Degenen die gestorven zijn omwille van de getuigenis van Jezus zullen met hem regeren in het duizendjarige rijk.
Maar hoe zit het nu met de andere gelovigen?
Vers 5:
In dit vers wordt toch heel duidelijk gesteld dat de overige doden niet weer levend worden voordat de duizend jaar voorbij zijn.
Vers 6:Ook in dit vers wordt nog eens benadrukt dat degenen die bij de eerste opstanding aanwezig zijn gelukkig zijn. Zij zullen in die duizend jaar heersen met Christus. Moeten wij er dan naar gaan streven om onthoofd te worden om de getuigenis van Jezus?
Hoe zit het nu? Wie zijn er nu precies aanwezig bij Christus bij aanvang van het duizendjarig vrederijk? Wie zijn er op aarde en wie regeren er mee in de hemel?
Terug naar vers 4:Een mogelijk uitleg die bij vers 4 wordt gegeven is dat er hier niet over één groep wordt gesproken, namelijk degenen die onthoofd zijn omwille van de getuigenis van Jezus en omwille van het Woord Gods en die ook nog eens het beeld van het beest niet aanbeden hadden en daarbij ook het merkteken van het beest niet hadden ontvangen op hun voorhoofd en ook op hun hand. Er zou hier sprake kunnen zijn van meerdere groepen. Daarom wil ik kijken naar de Griekse grondtekst:
Hier zie je dat het woord "kai" zowel met "en" als "of" wordt vertaald. Het kan zelf nog "ook", "dan" en "maar" betekenen. Dat de kenmerken van degenen die met Jezus zullen regeren met dit woordje verbonden zijn wil dus helemaal niet zeggen dat ze ook aan alle voorwaarden moeten voldoen.
Maar wat nog veel meer zegt is dat de zin gescheiden wordt door het woord "hostis". In de SV eenvoudig vertaald door "die" en in de KJV door "which" waardoor dit logischerwijs lijkt te verwijzen naar de onthoofde heiligen. Maar de betekenis van het woord "hostis" kan zijn "wie", "welke" of "degenen" (whoever, whatever, who).
Wanneer je dan dit vers leest staat er:
"En ik zag tronen, en zij zaten daarop en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en degenen die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die ook niet het merkteken ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren."
Deze uitleg spreekt mij persoonlijk meer aan dan dat ik als gestorven gelovige nog duizend jaar zou moeten wachten en het hele duizendjarige vrederijk niet mee mag maken.
Goed, de heiligen die God trouw zijn gebleven mogen dus met Jezus regeren. Doen ze dat dan in de hemel? En wie leven er dan nog op aarde waarover geregeerd wordt?
Was het niet zo dat wij allen, degenen die in Christus gestorven zijn en degenen die bij Zijn terugkomst nog leven zullen worden meegenomen van de aarde naar de hemel? Lees 1 Tes. 4: 13-18.
Dat zou dus betekenen dat in het duizendjarig vrederijk op aarde de mensen leven die voor die tijd nog niet aan Christus toe behoorden. Over deze mensen zullen wij dan samen met Jezus vanuit de hemel regeren.
Vers 8:Hier zie je dat het woord "kai" zowel met "en" als "of" wordt vertaald. Het kan zelf nog "ook", "dan" en "maar" betekenen. Dat de kenmerken van degenen die met Jezus zullen regeren met dit woordje verbonden zijn wil dus helemaal niet zeggen dat ze ook aan alle voorwaarden moeten voldoen.
Maar wat nog veel meer zegt is dat de zin gescheiden wordt door het woord "hostis". In de SV eenvoudig vertaald door "die" en in de KJV door "which" waardoor dit logischerwijs lijkt te verwijzen naar de onthoofde heiligen. Maar de betekenis van het woord "hostis" kan zijn "wie", "welke" of "degenen" (whoever, whatever, who).
Wanneer je dan dit vers leest staat er:
"En ik zag tronen, en zij zaten daarop en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en degenen die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die ook niet het merkteken ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren."
Deze uitleg spreekt mij persoonlijk meer aan dan dat ik als gestorven gelovige nog duizend jaar zou moeten wachten en het hele duizendjarige vrederijk niet mee mag maken.
Goed, de heiligen die God trouw zijn gebleven mogen dus met Jezus regeren. Doen ze dat dan in de hemel? En wie leven er dan nog op aarde waarover geregeerd wordt?
Was het niet zo dat wij allen, degenen die in Christus gestorven zijn en degenen die bij Zijn terugkomst nog leven zullen worden meegenomen van de aarde naar de hemel? Lees 1 Tes. 4: 13-18.
Dat zou dus betekenen dat in het duizendjarig vrederijk op aarde de mensen leven die voor die tijd nog niet aan Christus toe behoorden. Over deze mensen zullen wij dan samen met Jezus vanuit de hemel regeren.
De namen Gog en Magog komen eerder voor in Ezechiël 38 waar Gog het land van Magog wordt genoemd. Er lijkt echter geen verband te zijn tussen deze tekstgedeeltes. In Openbaringen gaat het klaarblijkelijk om twee naties die verzameld met een bijzonder groot aantal moeten zijn, namelijk als het zand van de zee. Zij worden verleid door satan om te strijden voor hem.
Vers 9:Hier zien we dat de verleide naties vanuit de hele wereld komen en het kamp van de heiligen omsingelen. Wie zijn hier de heiligen? Wanneer voor het duizendjarig vrederijk alle heiligen al een plaats in de hemel hebben gekregen bij Jezus om over de aarde te regeren, dan zouden dit de heiligen moeten zijn die in de loop van de duizend jaar erbij gekomen zijn.
De "geliefde stad" (agapao polis) is nog niet het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad (hagios polis), waarover in 20:2 wordt gesproken. Doordat 21:1 direct volgd met "Kai" op de gebeurtenissen in hoofdstuk 20 denk ik dat het nieuwe Jeruzalem pas zal neerdalen na het laatste oordeel aan het einde van hoofdstuk 20.
God rekent op een overweldigende manier met de aanvallers af door vuur uit de hemel te sturen.
De "geliefde stad" (agapao polis) is nog niet het nieuwe Jeruzalem, de heilige stad (hagios polis), waarover in 20:2 wordt gesproken. Doordat 21:1 direct volgd met "Kai" op de gebeurtenissen in hoofdstuk 20 denk ik dat het nieuwe Jeruzalem pas zal neerdalen na het laatste oordeel aan het einde van hoofdstuk 20.
God rekent op een overweldigende manier met de aanvallers af door vuur uit de hemel te sturen.
Vers 10:
Hier wordt definitief afgerekend met de duivel. In de poel van vuur en sulver zal hij voor eeuwig lijden.
Vers 11:Hier gaat de profetie in vervulling die we kunnen lezen in 2 Petrus 3:7-10. Bij het laatste oordel zal de geschapen hemel en aarde worden prijsgegeven aan het vuur. In Openbaringen staat dat deze in het niets verdwijnen
Vers 12 + 13:Dit is de tweede opstanding. Hier staan alle doden die nog niet opgestaan waren op en worden door God geoordeeld op hun daden welke vastgelegd zijn in de boeken. Zie ook 21:8.
Vers 14:Hier zie je dat de dood en de hel zelf ook vernietigd worden. Zij worden in de poel van vuur gegooid, net als de duivel en de zijnen.
Vers 15:Hier zie je dat het boek des levens uit vers 12 een essentiële rol speelt. Wanneer je daar niet in staat wordt ga je de duivel achterna.
Het boek des levens komen we een aantal keer eerder tegen in de bijbel. Lees Exodus 32:30-33 (NBV). Hier geeft God aan wanneer je naam uit het boek des levens geschrapt wordt, namelijk wanneer je tegen Hem zondigt. Voor die tijd was je naam dan kennelijk wel geschreven in dit boek.
In Psalm 69:29 vraagt David aan God Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Hij heeft het hier over zijn vijanden en verzoekt om het schrappen van hun namen uit het boek van het leven. Kennelijk gaat hij er van uit dat deze namen er in eerste instantie wel in staan. Ook is duidelijk dat degenen die in het boek staan gerekend worden onder de rechtvaardigen.
In Filippensen 4:3 zegt Paulus En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en mijn andere medearbeiders, wier namen zijn in het boek des levens. Paulus is heel stellig in zijn bewering dat de namen van zijn medearbeiders geschreven zijn in het boek des levens. Kennelijk kun je er zeker van zijn dat je naam in het boek staat wanneer je God dient.
In openbaringen 3:5 staat Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Degenen die het oude leven achter zich hebben gelaten en opnieuw geboren zijn, hun naam zal blijven staan in het boek van het leven.
Opvallend is dat er nergens wanneer er over het boek van het leven geschreven staat gesproken wordt over het opschrijven van je naam in dit boek. Hieruit leid ik af dat iedereen initieel ingeschreven staat in het boek, al van voor je geboorte. Door de juiste keuzes te maken in je leven blijf je ook ingeschreven staan. Maar wanneer je tegen God kiest en tegen Hem zondigt, dan zal je naam geschrapt worden uit dit boek. Mogelijk dat dit schrappen nog gebeurt wanneer er in vers 12 wanneer er op basis van wat er in de boeken staat over de doden wordt geoordeeld.
Hiermee is dan ook een antwoord gegeven op de vraag hoe het met de kinderen zit die nooit het evangelie gehoord hebben en nooit een keus hebben kunnen maken voor God en die al op jongen leeftijd sterven. Hun naam staat gewoon ingeschreven in het boek des levens en zij zullen behouden blijven bij het laatste oordeel.
Het boek des levens komen we een aantal keer eerder tegen in de bijbel. Lees Exodus 32:30-33 (NBV). Hier geeft God aan wanneer je naam uit het boek des levens geschrapt wordt, namelijk wanneer je tegen Hem zondigt. Voor die tijd was je naam dan kennelijk wel geschreven in dit boek.
In Psalm 69:29 vraagt David aan God Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. Hij heeft het hier over zijn vijanden en verzoekt om het schrappen van hun namen uit het boek van het leven. Kennelijk gaat hij er van uit dat deze namen er in eerste instantie wel in staan. Ook is duidelijk dat degenen die in het boek staan gerekend worden onder de rechtvaardigen.
In Filippensen 4:3 zegt Paulus En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees deze vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en mijn andere medearbeiders, wier namen zijn in het boek des levens. Paulus is heel stellig in zijn bewering dat de namen van zijn medearbeiders geschreven zijn in het boek des levens. Kennelijk kun je er zeker van zijn dat je naam in het boek staat wanneer je God dient.
In openbaringen 3:5 staat Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Degenen die het oude leven achter zich hebben gelaten en opnieuw geboren zijn, hun naam zal blijven staan in het boek van het leven.
Opvallend is dat er nergens wanneer er over het boek van het leven geschreven staat gesproken wordt over het opschrijven van je naam in dit boek. Hieruit leid ik af dat iedereen initieel ingeschreven staat in het boek, al van voor je geboorte. Door de juiste keuzes te maken in je leven blijf je ook ingeschreven staan. Maar wanneer je tegen God kiest en tegen Hem zondigt, dan zal je naam geschrapt worden uit dit boek. Mogelijk dat dit schrappen nog gebeurt wanneer er in vers 12 wanneer er op basis van wat er in de boeken staat over de doden wordt geoordeeld.
Hiermee is dan ook een antwoord gegeven op de vraag hoe het met de kinderen zit die nooit het evangelie gehoord hebben en nooit een keus hebben kunnen maken voor God en die al op jongen leeftijd sterven. Hun naam staat gewoon ingeschreven in het boek des levens en zij zullen behouden blijven bij het laatste oordeel.
























